Na de toneelperiode, waarin kinderen in de rol van een ander kruipen om zo zichzelf te laten groeien, was het in deze periode tijd voor wat zakelijkers.
In klas 4 verandert er veel in de ontwikkeling van het kind. Rond het negende/tiende jaar maken kinderen een belangrijke innerlijke stap: ze worden zich bewuster van zichzelf en van de wereld om hen heen. Het kind ervaart voor het eerst duidelijker het verschil tussen ‘mijn binnenwereld’ en de buitenwereld. Daardoor ontstaat ook meer behoefte aan duidelijkheid, logica, orde en structuur.
De vierdeklasser wordt nuchterder en wil begrijpen ‘hoe iets werkt’. Ook is ze klaar om taal meer als gereedschap te gebruiken.
Werkwoordvervoeging sluit daar prima bij aan: het geeft houvast en leert het kind om taal nauwkeurig te gebruiken. De mythologische verhalen helpen om die nieuwe abstractie op een warme, fantasievolle manier binnen te laten komen. De verhalen van de drie Nornen ondersteunen dit proces door een beeldende en betekenisvolle ingang te geven naar het begrijpen van tijd.
- Urd vertegenwoordigt het verleden, (wat gebeurd is)
- Werdandi het heden, (wat gebeurt nu)
- Skuld de toekomst, (wat zal gebeuren)
Door hun verhalen en kwaliteiten te leren kennen, kunnen kinderen in beelden beleven wat vervoeging van een werkwoord eigenlijk betekent: een handeling die door de tijd beweegt.
Zinnen en gedichtjes in de drie verschillende tijden verzinnen en vertellen. Het samen reciteren met de stafrijm uit de Edda.


